Weerbare zorg niet mogelijk zonder samenwerking
Het is een urgent vraagstuk: hoe kunnen Defensie en de zorgsector beter samenwerken om optimaal voorbereid te zijn in tijden van grootschalig conflict? Tientallen betrokkenen en vertegenwoordigers van ‘beide werelden’ zetten deze week een eerste stap naar het antwoord daarop. Tijdens een bijeenkomst van de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Defensie maakten de aanwezigen kennis met elkaar en deelden ze ideeën.
Tekst: kapitein Nico Schinkelshoek | Foto’s: sergeant-majoor Maartje Roos en archief Mediacentrum Defensie

Als luitenant-generaal Jan-Willem Maas het podium in Oirschot betreedt, schetst hij een scenario waaruit blijkt hoe essentieel de samenwerking is. “Stel je voor”, begint de commandant van het Defensie Ondersteuningscommando (DOSCO), “een gewondentrein komt terug uit het oosten van Europa. In de trein zitten 130 tot 150 gewonden, sommigen zwaargewond, sommigen licht. Wie vangt hen op? Zijn er genoeg bedden, specialisten en middelen? En wat als er een meervoud van dit aantal per dag arriveert? Dit zijn geen theoretische scenario’s. Dit is waarop we ons nu moeten voorbereiden.”

Crises en conflicten
Vooropgesteld: de generaal verwacht niet dat de situatie hier op korte termijn is zoals in Oekraïne. Maar, ontwrichtende crises - of dat nu een conflict, een cyberaanval of grootschalige stroomuitval is – komen altijd onverwacht, zegt hij. “De urgentie van weerbaarheid is nooit verdwenen, maar de verschijningsvorm is steeds anders. En gezien de huidige geopolitieke en digitale dreigingen, is de kans aanzienlijk dat we hiermee te maken krijgen.”

Mocht Nederland bijvoorbeeld betrokken raken bij een conflict, is een wendbare en opschaalbare gezondheidszorg noodzakelijk voor de gevechtskracht van ons leger. Zo benadrukt Barbara Goezinne in haar toespraak. “Dat betekent een gezondheidszorg die in staat is om grote aantallen slachtoffers op te vangen en ondersteuning kan bieden aan nationale en bondgenootschappelijke troepen”, schetst de directeur-generaal Curatieve Zorg bij het ministerie van VWS. Bij een oorlog die militair wordt uitgevochten, hebben we allemaal een rol om de mensen de zorg te bieden die ‘ze verdienen en nodig hebben’, stelt ze. De civiele en militaire zorgverleners ieder binnen hun eigen vakgebied, maar alles daartussen en overlappend vergt een gezamenlijke aanpak.
‘De urgentie van weerbaarheid is nooit verdwenen’
Meer samen, minder concurrentie
Dat de samenwerking tussen de verschillende partijen van groot belang is, daar hoef je in de zaal eigenlijk niemand van te overtuigen. De vraag is alleen hoe die eruit moet zien. Daarbij kunnen we volgens generaal Maas veel leren van de Oekraïners, waar het gezondheidszorgsysteem vanwege de oorlog al jaren onder druk staat. Bijvoorbeeld door zowel vooraf als tijdens medische behandelingen te kijken wat daar gebeurt. “Daarbij moeten we ons realiseren dat veiligheid geen exclusief militair probleem is, maar een uitdaging voor onze hele samenleving.”


Uiteraard is het niet zo dat de zorgsector en Defensie op dit moment vreemden van elkaar zijn. Integendeel. Tijdens de coronapandemie was er bijvoorbeeld een nauwe samenwerking waarbij de twee kanten elkaar ondersteunden. Daarbij leerden de partijen van elkaar en bouwden ze ervaring op die nu ook weer toepasbaar is. Op kleine schaal trainen civiele en militaire zorgverleners ook samen, hoewel dit volgens de sprekers nog veel breder opgepakt zou kunnen worden. Maar tegelijkertijd woedt ook een strijd om schaars personeel. Goezinne: “Weerbaarheid is ook samenwerking en solidariteit. Dat past alleen nog niet altijd bij de kostenefficiency en een stelsel dat zorg produceert.”


‘Weerbaarheid is ook samenwerking en solidariteit’
Werken binnen en buiten Defensie
In de praktijk zijn er al wel voorbeelden van die ‘samenwerking en solidariteit’, waarbij personeel zowel het ziekenhuis als de krijgsmacht bedient. Neem traumachirurg Maarten Bronkhorst. Hij voert operaties uit in het Haaglanden Medisch Centrum, maar vervult als reservist ook de functie van militair chirurg bij de Koninklijke Marine Reserve. “In geval van oorlog ga ik mee ‘naar voren’ om daar mijn diensten te bewijzen”, legt hij uit.
In vredestijd werkt hij voornamelijk in Den Haag. Als het aan Bronkhorst ligt, wordt deze constructie waarbij ziekenhuispersoneel ook tijdens conflicten ingezet kan worden verder uitgewerkt. “In Oekraïne maken ze iedere zorgmedewerker bekend met de krijgsmacht en vragen ze of diegene reservist wil worden. Kan dat hier ook niet? We moeten het potentieel in de bevolking meer benutten.”

‘In gesprek gaan’
Kolonel Diana Verweij was een van de aanwezigen in Oirschot. “Er heerst een sterk gevoel van urgentie. We weten dat we het als samenleving echt samen moeten doen”, aldus de (waarnemend) commandant van de Defensie Gezondheidszorg Organisatie (DGO). “We moeten meer met elkaar in gesprek gaan. Duidelijk is dat niet één ministerie, gemeente of ziekenhuis het allemaal weet of alleen kan doen.”
