Tekst KAP Wouter Helders
Foto Eigen archief & MCD

De landmacht zoekt veel samenwerking met onder meer Duitsland, België en Noorwegen. Er zijn daar de afgelopen jaren al grote stappen gezet en het is nu zaak door te ontwikkelen. Bijvoorbeeld door uitrustingen en regelgeving op elkaar afstemmen en elkaars ervaring en faciliteiten (onder andere opleidingscentra) gebruiken.

Luitenant-generaal Leo Beulen zwaait alweer ruim 5 maanden de scepter over het grootste krijgsmachtsdeel. Als Commandant Landstrijdkrachten (C-LAS) staat hij voor een flinke uitdaging. Na jaren van bezuinigingen is al het vet van de botten gesneden en is er op sommige gebieden roofbouw gepleegd. Beulen weet dan ook precies waar zijn prioriteiten liggen: “We moeten weer meer gaan investeren in mensen, materieel en in de toekomst.” 

Hij oogt ontspannen, gezeten in zijn kantoor op de Kromhoutkazerne in Utrecht. De wanden hangen vol operationele foto’s. Ze vormen letterlijk een teken aan de wand. Beulen zag in zijn carrière alle vormen van inzet. Zo ervoer hij het belang van internationale samenwerking tijdens zijn functie als Hoofd J3 op het hoofdkwartier in Kabul en zag later als directeur Operaties in de nasleep van de MH17-ramp hoe goed de krijgsmacht is toegerust op de veelzijdigheid van haar taken. Het vormde hem als mens en leider. Een ding is duidelijk; de nieuwe ‘baas’ van de landmacht heeft een groen hart. Als hij even later begint te praten, wordt nog iets duidelijk: Beulen voelt zich in zijn nieuwe functie als een vis in het water. Hij vertelt enthousiast over in welke staat hij de organisatie aantrof en hoe hij haar over een paar jaar wil achterlaten.

“Als nieuwe commandant stap je op een rijdende trein. Het proces ‘doorontwikkeling krijgsmacht’ loopt al een tijd en gaat ook onder mij gewoon door. Tegelijkertijd moet het werk ook binnen de huidige randvoorwaarden gedaan worden. Ik heb me dus heel goed laten informeren door de staf en ondercommandanten over de stand van zaken. Wat gaat er goed, wat minder en wat moeten we echt oplossen? Duidelijk is dat de materiële gereedheid omhoog moet. Anders hebben we geen fundament. We hebben evenwicht tussen trainen en onderhoud nodig om de inzetbaar en geoefendheid te waarborgen. Je kunt niet blijven sprinten.”

‘Als nieuwe commandant stap je op een rijdende trein’

Luitenant-generaal Leo Beulen nam op 24 maart 2016 het stokje over van ranggenoot Mart de Kruif. Al tijdens de overdracht gaf hij aan de lijn van zijn populaire voorganger voort te zetten: “Wij zullen onze samenwerking met andere landen niet alleen voortzetten, maar steeds verder verbreden en verdiepen.”
Beulen: “Wat deze functie zo interessant maakt, is dat je echt invloed kunt hebben op het scheppen van betere randvoorwaarden om zo onze organisatie en onze mensen vooruit te helpen.”

Werk aan de winkel

Investeren in personeel en materieel. Daar ligt de oplossing volgens Beulen. “De landmacht is op papier erg goed gevuld, maar er blijven vacatures. Er is een mismatch tussen het beschikbare personeel en het soort functies. Bovendien is de bovenbouw vol waardoor er weinig ruimte is voor bevordering. Je ziet daardoor dat veel mensen – en dus kennis – de organisatie verlaten. Ik heb daar niet direct een antwoord op, maar het is echt jammer dat wij niet in staat zijn deze kennis en kunde te behouden. Ook op materieelgebied is er werk aan de winkel. Op een heleboel gebieden hebben we te maken met net te weinig geld om de boel goed te laten draaien, denk aan ontoereikende voorraden en een tekort aan reserveonderdelen. Bovendien is bepaald materieel aan het einde van de levensduur. De viertonners en Mercedessen zijn hard aan vervanging toe. Alleen door selectief onderhoud, rigoureus keuzes maken, houden we een deel van de spullen paraat. Het gaat zeker niet alleen om het grote materieel. Sommige kleine, essentiële onderdelen als helderheidsversterkers en verbindingsmiddelen zijn oud, doen het niet goed, of we hebben er te weinig van. Daar moeten we echt iets aan doen.” 

‘Er is een mismatch tussen het beschikbare personeel en het soort functies’

Uit het dal

Als er meer geld komt voor de exploitatie, dan weet Beulen ook precies wat hij daarmee wil doen. “Meer geld voor de exploitatie betekent dat we het huidige dieptepunt achter ons kunnen laten. Dat zal niet van de ene op de andere dag gaan, het is een hele keten. Zie het zo; met extra reserveonderdelen kunnen meer voertuigen rijden en kunnen we uiteindelijk meer oefenen. Overigens hangt de materiële inzetbaarheid ook samen met kennis van onderhoud. Daar moet ook weer in worden geïnvesteerd.” Het opleiden van mensen staat sowieso hoog in het vaandel bij de C-LAS: “Het resultaat van de basisopleiding, vooral bij onderofficieren, is onvoldoende om mensen meteen te laten beginnen op een startfunctie. En neem de VeVa-opleiding. Na die opleiding vallen er nog veel te veel mensen af. De korting die mensen nu krijgen als ze de VeVa gedaan hebben is dus misschien niet te handhaven. Dit zijn allemaal zaken die we op orde moeten krijgen. We hebben goed opgeleide mensen nodig. Zij zijn het kloppend hart van de organisatie, maar zonder goed materieel worden zij ook ontevreden.” 

C-LAS werkt al jaren in het operationele werkveld. Hij was onder meer commandant van het Commando Luchtdoelartillerie, Director Joint Coordination Centre bij het NAVO-hoofdkwartier in Heidelberg, Directeur Operaties bij de Defensiestaf en plaatsvervangend commandant 1GNC.
“Als commandant moet ik zorgen dat ik de juiste kaders voor de landmacht creëer: 1. de huidige organisatie draaiende houden, 2. op de middellange termijn voldoende mensen, spullen en voorraden hebben om te kunnen blijven ontwikkelen, 3. het raamwerk wegzetten voor KL. Mijn grootste taak is de toekomst waarborgen en de lijn voor mijn opvolgers uitzetten.”

Wars van te veel regels

Meer eigen verantwoordelijkheid. Dat is een mantra, dat veel terugkomt in Beulens visie. “Bij de krijgsmacht is centrale aansturing schering en inslag, maar de bijbehorende bureaucratie zit ons vaak in de weg. Regelgeving is steeds verder aangescherpt en uitgebreid, zeker binnen Nederland. Denk aan zelfstandige aanschaf. De genie moet voor opleidingen bouwhout hebben en moet dat nu via allerlei lijnen aanvragen. Terwijl een eigen budget misschien wel veel makkelijker zou zijn. Of neem de certificering; wij hebben tot in de bloody details beschreven waaraan eenheden moeten voldoen, terwijl we misschien gewoon moeten zeggen: je moet alle problemen kunnen oplossen.

Dat gebeurt op missies vaak ook. Een veelgehoorde klacht bij terugkomst is dan ook dat militairen tijdens inzet alles zelf mogen bepalen, en in Nederland veel minder. Ik snap dat wel. In principe ben ik juist voor wat lossere regels, en veel meer verantwoordelijkheden en mogelijkheden voor de ondercommandanten. Dat kan niet altijd, maar we moeten er wel voortdurend naar streven.” 

‘In principe ben ik juist voor wat lossere regels’

Geen glazen bol

Het laat zich raden dat Beulen duidelijk voor ogen heeft waar hij heen wil met ‘zijn’ landmacht. Toch waakt hij ervoor te ver in de toekomst te kijken. “15 jaar vooruit exact voorspellen is bijna onmogelijk. Kijk maar eens 15 jaar terug. In 2001 stonden we aan de vooravond van 9/11. Wie had toen kunnen bedenken dat we in 2016 al 15 jaar in Afghanistan zouden zitten? Of nog 15 jaar terug, in 1986, stond de muur nog en zaten we midden in de Koude Oorlog. Speculeren heeft dus weinig zin. Wat we moeten doen is de wereld analyseren en gefundeerde voorspellingen doen. Er zijn ontwikkelingen die zeker invloed hebben, denk aan de robotisering en cyberwarfare. En neem 3-D printen, dat kan groot effect hebben op het beheersen van voorraden. Hoe dit soort zaken zich precies gaan ontwikkelen, is lastig te zeggen. 

“Ik zie dingen eenvoudig. Ik krijg een aantal opdrachten en bepaal dan welke middelen ik heb en wat ik kan waarmaken. Als ik iets niet kan doen, zeg ik dat ook. Ik doe geen beloftes die ik niet kan waarmaken.”

'15 jaar vooruit exact voorspellen is bijna onmogelijk’

“Voor het echter zover is, moeten we met de huidige middelen voldoen aan de opgedragen taken, waarbij de focus ligt op de hoofdtaak van defensie: de bescherming van het eigen grondgebied en dat van de bondgenoten. Op die taak moet in trainingen en opleidingen meer nadruk liggen. Als ik over een paar jaar het stokje doorgeef wil ik een landmacht achterlaten die door goed opgeleid personeel en met voldoende materieel operationeel gereed is om de huidige taken uit te voeren en opgewassen is tegen de uitdagingen van de toekomst.”