02

Dit artikel hoort bij: de Vliegende Hollander 11

Achter de schermen bij een vliegtuigberging

Tekst kapitein Bianca Brasser
Foto sergeant-majoor Jan Dijkstra

‘Even terug in de tijd’

x
Leestijd: 4 minuten

Tientallen appelboompjes op een boomgaard in Angeren hebben plaatsgemaakt voor een gat van zo’n tien bij tien meter. Het is de plek waar bijna tachtig jaar geleden een Duitse Focke-Wulf Fw 190 A5 crashte. Met de vlieger nog in het toestel, dat is sinds woensdag 16 november zeker. Onder leiding van de luchtmacht ging twee dagen eerder de eerste schep zand uit de grond. Met als doel een respectvolle berging.

De Focke-Wulf is één van de naar schatting dertig jachtvliegtuigen die neerkwamen in de buurt van het dorp Angeren, in de gemeente Lingewaard

Nederland vormt misschien wel het grootste vliegtuigkerkhof ter wereld. Tijdens de Tweede Wereldoorlog stortten zo’n 5.500 tot 6.000 vliegtuigen neer in ons land. Van een groot deel liggen de restanten nog in de grond. In honderden gevallen met de stoffelijke resten van de bemanningsleden.

Van zo’n dertig tot vijftig locaties wordt gedacht dat bij een berging stoffelijke resten gevonden worden. Dit zijn de zogenoemde ‘kansrijke bergingen’. Om de overledenen een respectvolle laatste rustplaats te geven en nabestaanden duidelijkheid over hun lot, worden deze vliegtuigwrakken opgegraven. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties richtte hiervoor in 2018 een nationaal programma op. Op kosten van het rijk mag een gemeente deze wrakken laten bergen.

De Focke-Wulf die in de Betuwe crashte, is de zesde op de lijst van kansrijke bergingen. Benieuwd hoe een vliegtuigberging in zijn werk gaat? Bekijk hier het foto-verhaal.

De Explosieven Opruimingsdienst Dienst (EOD) detecteert waar het wrak vermoedelijk ligt. Met speciale apparatuur kan tot vier meter diep in de grond worden ‘gekeken’. Het apparaat meet magnetische lijnen. Alles wat het magnetische veld verstoort, wordt gedetecteerd.

Laag voor laag wordt de grond afgeschaafd. Dat gebeurt met hulp van een externe aannemer die de gemeente inhuurt. “Defensie heeft zelf niet de juiste middelen”, vertelt majoor Hubert Schuncken, Stafofficier Vliegtuigberging van de Koninklijke Luchtmacht. “We huren vrachtauto’s, graaf- en zeefmachines van bedrijven.”

De eerste brokstukken worden op dag twee gevonden. Deze gaan voor verder onderzoek naar Woensdrecht. Het is dan al voor 95 procent zeker dat het om een Focke-Wulf Fw 190 gaat, dankzij onderzoek van de Studiegroep luchtoorlog 1939-1945. Volledige zekerheid komt een paar uur later als het identificatienummer van het vliegtuig wordt gevonden. “410005…”, somt Schuncken op. “Precies het nummer dat we dachten te gaan vinden.”

“Mogelijk heeft het vliegtuig twee 21-centimeter raketten aan boord”, zegt sergeant-majoor Patrick, senior-ruimer bij de EOD. “En boord- en klein-kaliber-munitie.” Het is aan hem om deze veilig te stellen. “We hebben een verplaatsbare bunker voor de raketten, de VTVS (Voorziening Tijdelijk Veilig Stellen red.). Vinden we klein-kaliber-munitie dan gaat dat in een bak zand die wordt afgevoerd.”

Het zand van de bergingslocatie wordt met vrachtwagens overgebracht naar de verwerkingslocatie, een paar honderd meter verderop. Daar gaat het fijne speurwerk naar brokstukken, munitie en stoffelijke resten verder.

De grond wordt op de verwerkingslocatie aan een diepgaande inspectie onderworpen. Hiervoor gaat die eerst door een zeef. “De bovenste grondlaag ging nog makkelijk”, zegt Schuncken. “Maar zodra je op de kleigrond terecht komt, raakt een gewone zeef verstopt. De klei wordt nu eerst kapot gespoten met water.”

De kleinere stukken kleigrond en de fragmenten of stoffelijke resten die er eventueel tussen zitten, worden verder schoongespoten met water. Op een transsportband vinden ze vervolgens hun weg langs de vier paar ogen van land- en luchtmachters.

Een van hen is sergeant-majoor Emiel Snoeren van de Bergingsdienst van de luchtmacht. Komen er stukken van het vliegtuigwrak voorbij, dan pikt hij ze eruit. “Dit is interessant werk. Je weet nooit wat je tegenkomt; welke oude technieken. Even terug in de tijd.”

De eerste stukjes belanden in een mand. “Een Duits vliegtuig op Nederlandse bodem wordt gezien als oorlogsbuit”, zegt Schuncken. “Grote vliegtuigdelen geven we in bruikleen aan geïnteresseerden zoals de gemeente of een museum. Alles wat over blijft, de kleine stukjes, worden verschroot. We willen niet dat iets op Marktplaats terechtkomt.”

De Bergings- en Identificatiedienst van de Koninklijke Landmacht (BIDKL) is verantwoordelijk voor de stoffelijke resten die worden gevonden. Op dag drie blijkt dat deze er inderdaad zijn. Omdat het om een één-persoonstoestel gaat, is er een zeer sterk vermoeden wie de vlieger is, maar de identiteit moet formeel worden vastgesteld. “Alles dat we vinden, gaat naar ons laboratorium in Soesterberg”, vertelt kapitein Geert Jonker, commandant BIDKL. “Daar begint het onderzoek. Op basis van skelet-kenmerken maken we een biologisch profiel. Zo weten we hoe oud en lang iemand is en bijvoorbeeld welke ziektes hij had.”

Het liefst wordt een herkenningsplaatje gevonden, stelt Jonker. “De Duitsers hebben alleen een persoonlijk- en eenheidsnummer op hun plaatje staan. Bij de Duitse autoriteiten hebben we de code van de vermoedelijke vlieger opgevraagd. Zodra het plaatje is gevonden, kan ik het checken.” Op Nederlands grondgebied gesneuvelde Duitsers krijgen hun laatste rustplaats op de oorlogsbegraafplaats in Ysselsteyn.

Defensie kan drie tot vier vliegtuigbergingen per jaar uitvoeren. Volgend jaar wordt in het IJsselmeer het zevende vliegtuigwrak op de lijst kansrijke bergingen geborgen. Een gemeente kan overigens ook vliegtuigwrakken laten bergen waarin vermoedelijk geen stoffelijke resten zitten. De kosten zijn dan wel deels voor de gemeente zelf.