04

Dit artikel hoort bij: Alle Hens 03

‘Natuurlijk was ik opgelucht’

Tekst LTZ 2OC (SD) Joost Margés
Foto Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie

100-jarige ontsnapte op ‘drijvend eiland’ Abraham Crijnssen

Het is een legendarisch verhaal: Hr. Ms. Abraham Crijnssen ontsnapt in maart 1942 vermomd als tropisch eiland vanuit Nederlands-Indië naar Australië. Aan boord zat ook stoker-olieman Fulco Bouwmeester. “Of ik de overtocht spannend vond? Volgens mij viel dat wel mee. Je was jong en daar piekerde je niet zo over.” Sergeant-machinist b.d. Bouwmeester tikte inmiddels de 100 jaar aan. Alle Hens ging bij hem langs in het verzorgingshuis in Den Helder. Soms zocht hij naar woorden, maar vaak ook schoot het vuur nog uit zijn ogen, bij de herinneringen aan de oorlogstijd.

Op zijn 19e meldde Bouwmeester zich in Soerabaya op Java voor het vervullen van de dienstplicht. Hij kon kiezen uit de landmacht of de marine. Hij koos voor het varen en belandde aan boord van het opleidingsvaartuig Soerabaya. Hierna volgde een plaatsing als stoker-olieman op de mijnenlegger Krakatau, in de rang van milicien-matroos.

Sergeant-machinist b.d. Fulco Bouwmeester. (Foto: René Verleg)
Op zijn 19e meldde Bouwmeester zich in Soerabaya voor het vervullen van de dienstplicht. (Foto: eigen collectie)

Oorlog ‘finished’

Begin 1942 zette de Japanse expeditionaire vloot koers richting Nederlands-Indië. Bouwmeester was op dat moment 23 jaar. “Onze grote schepen gingen naar zee. De kleinere vaartuigen, waaronder de Krakatau, moesten de haven van Soerabaya beschermen. Nadat eerst een Japans verkenningsvliegtuig een rondje boven ons vloog, zijn we tot 2 keer toe vanuit de lucht aangevallen. Eerst op zee en vervolgens toen we weer tegen de wal lagen.” Door de overmacht van Japan en de verloren slag in de Javazee, op 27 februari 1942, was de situatie al snel hopeloos. “Na 12 dagen oorlog was het finished op zee”, aldus Bouwmeester.

Admiraal Conrad Helfrich, de Commandant der Zeemacht in Nederlands-Indië, vertrok daarop per vliegboot naar Colombo op Ceylon, het huidige Sri Lanka. Hier richtte hij een nieuw hoofdkwartier in. Per telefoon kreeg de commandant van de Abraham Crijnssen, luitenant ter zee Anthonie van Miert, het bevel om het schip te vernietigen of om een veilige haven te bereiken. De 3 andere mijnenvegers van de Jan van Amstelklasse werden alvast tot zinken gebracht, om te voorkomen dat ze in handen van de vijand kwamen. “Maar Van Miert wilde ontsnappen!’, vervolgt Bouwmeester. “Ik ben toen kort voor vertrek overgestapt van de Krakatau op de Abraham Crijnssen. Ik hoefde voor niemand in Indië te blijven; mijn ouders leefden niet meer. Op de Abraham Crijnssen zijn we toen meteen begonnen met het camoufleren van het schip.” Het werd geschilderd in camouflagekleuren en met behulp van netten, takken en ander groen vermomd als tropisch eiland.

Bouwmeester, respectievelijk links en rechts op de foto. (Foto’s: eigen collectie)

Al Japanners gezien?

De Abraham Crijnssen vertrok op 6 maart 1942, bij invallende duisternis, vanuit Soerabaya richting Australië. De bemanning bestond uit ongeveer 45 man. De bewapening, voor het geval de mijnenlegger aangevallen zouden worden, bestond uit een 7,6 centimeter-kanon en 4 stuks 12,7 millimeter luchtafweergeschut. De eerste tussenstop was het oostelijker gelegen Gili Getting. Hier werden de voorraden aangevuld en de camouflage bijgewerkt. ’s Nachts kwamen de 1.600 pk’s tot leven en voer de Abraham Crijnssen met maximaal 15 knopen verder. “Overdag lagen we dan weer gecamoufleerd tegen een van de vele eilandjes aan. Keer op keer verversten degenen die geen wacht hadden de takken en struiken die ons aan het zicht onttrokken. Ook zochten we contact met de plaatselijke bevolking, om te vragen of ze al Japanners gezien hadden. Dat was gelukkig niet zo. Overdag stond alles aan boord trouwens uit, behalve de kombuis.”

‘Of ik de overtocht spannend vond? In mijn herinnering viel dat wel mee. Je was jong en daar piekerde je niet zo over’

Vooral vertrek spannend

“Of ik de overtocht spannend vond? In mijn herinnering viel dat wel mee. Je was jong en daar piekerde je niet zo over. Eigenlijk was vooral het vertrek spannend, daarna werd het snel minder. Ik herinner me vooral dat ik beneden in de machinekamer mijn werk deed. Later werd je dan bijgepraat door de mensen boven. Die hadden de wacht aan dek en stonden op de uitkijk.”

Zonder noemenswaardige rimpelingen sloop de Abraham Crijnssen door de Indische wateren. Via Sapoedi bereikte het schip op 9 maart in alle vroegte de noordwestkust van Soembawa. De avond van diezelfde dag werd de Straat Alas doorgevaren. Hiermee was het schip op de Indische Oceaan en kon het aan één beweging doorstomen naar Australië, waar het op 12 maart aankwam. “Na 9 dagen: land in zicht. Hiep-hiep-hoera! Australië! We kwamen aan in de haven van Geralton. Natuurlijk was ik opgelucht.”

5 maanden rust

In Geralton zou het schip (deels onder Australische vlag) tot 1945 dienstdoen als patrouillevaartuig. Bouwmeester zelf reisde via Perth, Fremantle en Melbourne door naar Sydney. “Hier kregen we 5 maanden rust. Ik zat met 4 man in een hotel; dat werd voor ons betaald en we kregen nog ook nog Australische ponden als salaris.

Na die periode ging hij weer varen, in eerste instantie naar Colombo. “Vanaf daar voer ik schepen heen en weer naar Calcutta in India, veelal voor reparaties. Eenmaal brachten we een gehavend schip naar Port Elizabeth in Zuid-Afrika, omdat het niet in India hersteld kon worden.”

“Overdag lagen we gecamoufleerd tegen een van de vele eilandjes aan.”

‘Op mijn 75e moest ik verplicht met pensioen; jammer, want ik wilde nog wel door’

Krijgsgevangenen ophalen

Toen kwam de dag dat Japan capituleerde en de oorlog voorbij was. Bouwmeester ging van Colombo terug naar Soerabaya. Hier kwam hij al snel terecht aan boord van de torpedobootjager Hr. Ms. Piet Heijn. “Daarmee zijn we nog 3 keer naar Australië geweest. Ook hebben we veel geallieerde ex-krijgsgevangenen van allerlei eilanden opgehaald en naar Soerabaya gebracht.”

Uiteindelijk kwam Bouwmeester in 1947 met de torpedobootjager Hr. Ms. Van Galen naar Nederland. Hij bleef in dienst van de Koninklijke Marine en vervulde nog functies bij bijvoorbeeld de Mijnendienst en op de kruisers Hr. Ms. De Ruyter en De Zeven Provinciën. Tussendoor bracht hij ook anderhalf jaar door in Nederlands Nieuw-Guinea (1951-1953). Hij volgde in zijn diensttijd nog de korporaalsopleiding en sergeantenopleiding. Op 50-jarige leeftijd verliet hij ten slotte in 1968 de dienst, als sergeant-machinist.

“Na 9 dagen: land in zicht. Hiep-hiep-hoera! Australië!” (Foto: René Verleg)

Jaren gaan tellen

Niet dat Bouwmeester daarmee klaar was. “Ik heb nog voor de boer gewerkt, in een garage van kennissen, bij een Vigo-kruidenierszaak en ten slotte bij de visafslag. Op mijn 75e moest ik verplicht met pensioen; jammer, want ik wilde nog wel door.”

Dat was 25 jaar geleden. Inmiddels de eeuw gepasseerd, moet Bouwmeester graven naar zijn herinneringen, maar ook zoeken naar zijn woorden. De jaren gaan tellen. ‘We willen allemaal oud worden, maar oud zijn valt niet altijd mee.’ Bouwmeester moet voorzichtig glimlachen om dit gezegde. Hij geeft toe dat het leven hem eigenlijk niet meer zo interesseert. “Ik kan niet meer zoveel.”

Hoe anders was dat in 1942 toen de jonge olieman-stoker samen met zijn collega’s een hachelijke ontsnapping optuigden en met hun schip-als-eiland, onderweg naar de vrijheid, in één keer de marine-geschiedenis binnenvoeren.

Hr. Ms. Abraham Crijnssen (1937-1961)

Hr. Ms. Abraham Crijnssen (C) was een 56 meter lange Nederlandse mijnenveger van de Jan van Amstelklasse, gebouwd door de scheepswerf Gusto, te Schiedam. Na de Tweede Wereldoorlog werd de Abraham Crijnssen tot 1949 ingezet als patrouilleschip in Nederlands-Indië. Van 1949 tot de onafhankelijkheid van Indonesië voer het schip weer actief als mijnenveger. Na de onafhankelijkheid keerde het terug naar Nederland, waar de Zeekadetten het in 1961 in bruikleen kregen. In 1997 kwam de Abraham Crijnssen als museumschip bij het Marinemuseum in Den Helder terecht.