Tekst kapitein Charlotte Verolme
Foto (archief) Mediacentrum Defensie

Positie van vrouwelijke militair kan beter, maar hoe?

Hoewel vrouwelijke militairen vandaag de dag in alle geledingen van Defensie actief zijn, blijven zij te maken hebben met stagnerende integratie en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Een verklaring hiervoor ligt in de masculiene oriëntatie van de organisatie, zo concludeert Jolanda Bosch in haar proefschrift. “Vrouwen zeggen: ‘We doen gewoon ons werk.' Maar hoe gewoon is gewoon?”

Bosch’ onderzoek vindt zijn oorsprong in 1996 wanneer ze meewerkt aan een studie naar leiderschap in crisisomstandigheden. Er worden tal van militairen geïnterviewd die op dat moment een uitzending draaien in Bosnië. Allemaal mannen. De vrouwelijke militairen ondervragen zou ‘niet nodig zijn’, zo luidde het oordeel. “En daarmee was de discussie eigenlijk over”, aldus Bosch. “Oké, dat er vrouwen meegingen op missie was toentertijd nieuw. Maar dat hun stem niet werd gehoord, voelde onterecht. Dit fascineerde mij zo dat ik een paar jaar later begon met mijn eigen onderzoek.”

In 1944 treden de eerste vrouwen in dienst bij de Nederlandse krijgsmacht. Ze werken dan als bijvoorbeeld verpleegkundige, typiste of boekhoudster. Eind jaren zeventig mogen vrouwelijke militairen ook varen, vliegen en vechten.

‘De stem van vrouwen werd niet gehoord, dat voelde onterecht’

Opvallen

Bosch interviewde in eerste instantie vrouwelijke militairen die op missie waren geweest in voormalig Joegoslavië en Villafranca. Deze gesprekken vormden de aanleiding voor verdergaand onderzoek en resulteerden uiteindelijk in het proefschrift ‘Masculiniteit als vanzelfsprekendheid’ waar de onderzoekster vorige week vrijdag op promoveerde.

“Ik constateerde iets opvallends. Vrijwel alle vrouwen zeiden: 'Ja, het is een mannelijke organisatie, besteed daar maar niet te veel aandacht aan. We vallen al zo op. We doen gewoon ons werk.' Tegelijkertijd hoorde ik verhalen over stagnerende integratie en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Er was van alles aan de hand. Dit riep de vraag op: 'Hoe gewoon is gewoon?’”

Jolanda Bosch met haar proefschrift ‘Masculiniteit als vanzelfsprekendheid’.

CV

Jolanda Bosch rondde in 1989 haar doctoraalstudie psychologie af aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) met als specialisaties persoonlijkheidspsychologie en arbeids- en organisatiepsychologie. De eerste vier jaren van haar loopbaan was zij verbonden aan de Universiteit van Amsterdam (UVA) als wetenschappelijk medewerker bij de vakgroep Arbeids- en Organisatiepsychologie. Sinds 1993 is zij werkzaam bij de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) te Breda, in eerste instantie als docent psychologie en sinds 2014 als universitair docent militaire ethiek bij de vakgroep Militaire Bedrijfswetenschappen (MBW) van de Faculteit Militaire Wetenschappen (FMW).

Binnen deze functie verricht zij taken en activiteiten op het gebied van onderwijs, onderzoek, training, begeleiding en advies. Voornaamste aandachtsgebieden zijn: gender, macht, groepsdynamiek en morele professionaliteit in (gewelds)organisaties.

Ouwe-jongens-krentenbrood

Met deze vraag in het achterhoofd spitst Bosch zich in de jaren die volgen meer toe op de problematiek van masculiniteit. Hiertoe interviewde zij een tweede groep vrouwelijke militairen over hun ervaringen tijdens de algemene militaire opleiding en tijdens hun operationeel functioneren in uiteenlopende missies. Gaandeweg komt ze erachter dat de masculiene oriëntatie van de krijgsmacht een complex probleem is. Een deel van de verklaring daarvoor is het feit dat Defensie van oudsher een mannenbolwerk is: ouwe-jongens-krentenbrood, niet lullen maar poetsen.

“Dat zit zo diep ingebed in de organisatie. Er zijn tal van onderzoeken die erkennen dat het al langere tijd niet goed gaat met de integratie van vrouwen bij Defensie. Er zijn te weinig aanmeldingen, ze stromen lastiger door en worden op veel vlakken achtergesteld. Dan komt er weer een nieuwe beleidsbrief uit Den Haag of een waarschuwing van een commandant en dat is het dan. Ondertussen worden masculiene opvattingen vrolijk van generatie op generatie doorgegeven. En juist dáár zit de crux.”

Het percentage vrouwelijke militairen bij Defensie schommelt rond de tien procent. Onder burgerpersoneel is dit 25 procent.

‘We zijn geneigd mensen te kiezen die op onszelf lijken’

Warrior

Om de werking van masculiniteit zichtbaar te maken, ontwikkelt Bosch een model waarin de ‘warrior’ centraal staat. Een vertegenwoordiging van het idee van de militair als stoere, harde, dappere persoon die geen emoties toont, altijd bereid is om ten strijde te trekken en zo nodig zijn leven te geven. “Er wordt status ontleend aan dergelijke eigenschappen. Sterker nog, we geven onderscheidingen aan militairen die op deze manier optreden. Daarmee zeg je: dit is hoe een militair hoort te zijn. Op deze wijze wordt masculiniteit gereproduceerd.”

Dit betekent overigens niet dat masculiniteit onwenselijk is, benadrukt Bosch. “Sterker nog, zonder masculiniteit geen militaire identiteit. Masculiniteit is nodig om militair te kunnen zijn. Maar als je daar teveel de nadruk op legt kan dat leiden tot machtsverschillen. Voldoe je aan die masculiene kenmerken dan heb je meer kans om de top te bereiken. Behoor je ook nog eens tot een groot old boys network dan zit je helemaal goed. We zijn allemaal geneigd om mensen te kiezen die op onszelf lijken. Daarmee zet je vrouwen ongemerkt buitenspel.”

De dynamieken die tot genderongelijkheid leiden moeten volgens Bosch worden ontmanteld. Dat kan onder meer door aandacht te besteden aan de vormgeving van fysieke militaire training. Zo adviseert de onderzoekster om de eisen van de Defensie Conditie Proef voor mannen en vrouwen gelijk te trekken.

Bewustzijn

Een van Bosch’ belangrijkste aanbevelingen is dan ook: word je bewust van dit zogeheten overdrachtsmechanisme van masculiniteit. “Besef dat je bewust of onbewust bepaalde opvattingen doorgeeft. Vraag je eens af hoe ‘gewoon’ die eigenlijk zijn.”

Naast de stagnerende integratie stipt Bosch in haar proefschrift een ander urgent probleem aan: seksueel grensoverschrijdend gedrag. “Grappen en opmerkingen met een seksistisch randje, ze zijn aan de orde van de dag. Hoewel vrouwen geneigd zijn dit gedrag te bagatelliseren onder het mom van ‘zo is de cultuur nu eenmaal’, blijkt uit de gesprekken dat het merendeel van de vrouwen er eigenlijk wel klaar mee is. Ik zeg echt niet dat we een perfecte organisatie moeten creëren. Een grap maken mag. Maar je moet het er wel met elkaar over hebben: wat vinden wij als team oké en wat niet? Dat kan tussen eenheden best verschillen. Prima, maar maak het bespreekbaar.”

“Een grap maken mag, maar je moet het er wel met elkaar over hebben: wat vinden we oké en wat niet?”, aldus Bosch.

‘De onderlinge solidariteit kan beter’

Tweerichtingsverkeer

Gedrag bespreekbaar maken werkt twee kanten op, stelt Bosch. “Ook vrouwen moeten meer van zich laten horen. Durf je dat niet alleen, zoek dan andere vrouwelijke collega’s op en ga samen dat gesprek aan. Die onderlinge solidariteit kan echt beter.”

Overigens ervaren ook mannelijke militairen de negatieve aspecten van de masculiene cultuur, besluit de onderzoekster. “Dit moet nog nader worden onderzocht. Hier ligt een belangrijke taak voor leidinggevenden. Het is misschien pijnlijk, maar het old boys network is passé. Tijden veranderen. Dat mag je best even jammer vinden, maar gooi het roer om en bedenk hoe het anders kan.”

Defensie laat weten blij te zijn dat er onderzoek is gedaan naar dit onderwerp. ‘Het laat zien dat diversiteitsplannen nodig zijn’. Een voorbeeld daarvan is de Kamerbrief diversiteit en inclusiviteit bij Defensie.