Tekst Bert van Elk
Foto sergeant Aaron Zwaal

Duiken naar 50 jaar oude bewapening

De opgedoken munitie wordt bekeken. De kans dat het ontploft is klein, want de ontstekers zijn destijds al verwijderd.

De ochtend na zomerstorm Francis ligt duikvaartuig Cerberus betrekkelijke rustig in het Havenkanaal in Zierikzee. Terwijl pleziervaartuigen nog altijd flink op en neer deinen, lijkt het marinevaartuig met aan boord een ploeg van de Maritieme Explosieven Opruimingsdienst nergens last van te hebben. Op het dek worden de duikflessen gevuld en alles in gereedheid gebracht voor de werkzaamheden van de komende week op de Oosterschelde: munitiedump onderzoeken.

De duikers moeten zoveel mogelijk verschillende soorten munitie boven water halen voor onderzoek. Om te kijken wat er allemaal op de bodem ligt en wat de staat van de munitie is, die daar door de Nederlandse staat tussen 1945 en 1967 is gestort. Ook worden bodem- en watermonsters genomen om na te gaan of er sprake is van milieuvervuiling.

Achter de Cerberus ligt een van de rubberboten, klaar voor gebruik.

'Het spul ligt verspreid over een gebied van ruwweg 800 meter bij 1,5 kilometer.'

Een duikmeester vult flessen met perslucht.

30.000 ton

Geen overbodige luxe, want er is tot 53 jaar geleden maar liefst 30.000 ton munitie gestort in een meer dan 50 meter diepe kuil in de Oosterschelde en in de directe omgeving ervan. Het spul ligt verspreid over een gebied van ruwweg 800 meter bij 1,5 kilometer. Varen mag er wel, ankeren is verboden.

Ongeveer 20 jaar geleden is hier voor het laatst gedoken om de corrosie te meten. Die viel toen mee. De vervuiling van het water wordt met veel grotere regelmaat gemeten en is tot op heden verwaarloosbaar, maar ook hier geldt: meten is weten.

Ontploffing?

Bang dat de munitie in de Oosterschelde ontploft is de ploeg onder leiding van kapitein der mariniers Rick in de Braekt niet. “De ontstekers zijn destijds al verwijderd. In een onderzoek in 2003 zijn circa 100 ontstekers getest en geen enkele deed het meer. In 2014 waren ze voor een groot deel vergaan. Bovendien ligt de munitie over zo'n groot gebied verspreid, dat de kans dat het de lucht in gaat verwaarloosbaar is.” De verwachting is dat over 500 of 600 jaar actie ondernomen moet worden om problemen met het explosieve spul te voorkomen.

'Duikers zijn bij een stroming van meer dan 1 knoop meer bezig met op hun plek blijven, dan met de duikopdracht.'

Roet in het eten

Op papier is er een week voor de operatie nodig. “Maar dan moet er niets tegenzitten”, reageert De Braekt, terwijl hij naar buiten kijkt. “Vanwege de storm konden we woensdag na een halve dag niets meer doen. Duikers zijn bij een stroming van meer dan 1 knoop (1,852 km per uur) meer bezig met op hun plek blijven, dan met de duikopdracht. Het was te ruw. Daarom verwachten we ook volgende week nog bezig te zijn.”

Ook de werking van de voice communication tussen duiker en duikleider wordt getest.

'Uit de plakjes munitie kunnen wij afleiden hoe het materiaal er na meer dan een halve eeuw onder water aan toe is'

Bodem- en watermonsters

Omdat ankeren boven de dumplocatie niet mag, vaart de Cerberus tijdens de werkzaamheden in de buurt rond met de decompressietank voor de duikers aan boord. Het duikteam gaat met een kleinere rubberboot naar de specifieke duiklocaties. Op de bodem hebben de duikers niet meer dan 1 meter zicht, maar dat is genoeg om te zien wat ze doen. De opdracht: 5 tot 6 stuks van elke soort munitie naar boven halen. En er ligt veel, weet In de Braekt: “Van .50-kogels tot grote granaten en antitankmijnen.”

Werk voor wetenschappers

In de halve dag dat woensdag gewerkt kon worden, zijn al veel bodem- en watermonsters genomen. Dat betekent werk voor wetenschappers Arjan den Otter en Martin Olde van TNO aan boord van de Cerberus. "Welkom in ons lab", grapt Den Otter bij 2 koelkasten. "Het zeewater gaat in een infuuszakje en druppelt op een speciaal filtertje ter grootte van een vingerhoedje dat de stofjes tegenhoudt die we later in het laboratorium willen meten. We willen de situatie onder water 'bevriezen'. Bij hogere temperaturen breken de stoffen vanzelf af en kun je ze niet meer meten." Voor de analyse van andere stoffen worden de monsters geconserveerd in een vrieskist om ze later in een laboratorium te analyseren.

Het lab van Den Otter en Olde: een koelkast aan boord van de Cerberus waarin de vervuiling uit het zeewater wordt gehaald.

Watersnijapparatuur

Een dag later wordt er ook munitie gevonden, waaronder .50 kogels, artilleriegranaten en een mijn. “Wat we vinden, gaat na aankomst in de haven direct door naar een speciaal opslagterrein buiten Zierikzee", vertelt In de Braekt. “Daar werkt een tweede ploeg van de EOD. Zij snijden op verzoek van TNO de munitie door met watersnijapparatuur op de plekken die zij willen.”

Den Otter vertelt dat ze uit de plakjes munitie afleiden hoe het materiaal er na ruim een halve eeuw onder water aan toe is. “Alle gegevens bij elkaar levert een rapport op.” Wat van de munitie overblijft, wordt vernietigd.

Onder meer deze munitie werd uit het water gehaald.
Het nog intacte binnenwerk van een kogel, opengesneden met watersnijapparatuur