Dit artikel hoort bij: Pijler (opgeheven) 03

DVVO lost amfibisch transportschip Rotterdam

Tekst Jack Oosthoek
Foto Herman Zonderland

“We kunnen veel, misschien wel alles”

Op kade 3 van de marinehaven in Den Helder is het alle hens aan dek. Pantser- en wielvoertuigen rijden ratelend en knarsend vanuit de buik van Zr.Ms. Rotterdam de wal op. Alarmbellen rinkelen, aanwijzingen schallen door de lucht. De in een felgeel veiligheidsvest gestoken kapitein Arie Soeleman van de Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie volgt de ontladingsoperatie met de blikken van een arend. Het lossen van een schip, één van de vele taken van de DVVO, is een precisieklus. 

“DVVO beschouwt nee verkopen als een soort brevet van onvermogen”

Viertonners, YPR’s, wissellaadsystemen, terreinwagens, rupsvoertuigen. Stuk voor stuk komen ze afgelopen winter in Noorwegen in actie tijdens de landmacht- en mariniersoefening Cold Response. Eind maart pikt het amfibisch transportschip ze op in de noordelijk gelegen havenstad Sørreisa. Defensie koos daarvoor omdat wegtransport zeeën van tijd kost, vertelt Soeleman, projectleider Multi Modale Planning van de DVVO. Zo kost het de Rotterdam ‘slechts’ vier dagen om van Sørreisa in Den Helder te komen. Komt bij dat het schip bij uitstek geschikt is om materieel te transporteren, vult luitenant-ter-zee 2 Sjoerd Rog van Zr.Ms. Rotterdam aan. Bovendien was de grijze kolos toch al in de Noorse wateren voor Cold Response.

Ballasttanks

Als ‘combat cargo’ officier ontwerpt Rog het beladingplan en zorgt er samen met de nautische dienst voor dat alles op rolletje sloopt. Voor de stabiliteit van het schip verdeelt hij het materieel, waaronder ook containers, zo ‘strategisch’ mogelijk over de twee dekken. Mocht de Rotterdam dan nog niet helemaal recht liggen, dan worden de ballasttanks met water volgepompt totdat dit wel zo is. Een lastige puzzel, weet Rog. 

Ook bij de manier waarop de chauffeurs hun voertuigen de kade op sturen, komt veel kijken. Door de beperkte ruimte in de Rotterdam moeten ze continu voor- en achteruit steken, waarbij de chauffeurs hulp van gidsen krijgen. Maar na veel gemanoeuvreer staan de voertuigen in een ommezien op de kade. Met diepladers gaan ze vervolgens naar hun eindbestemming. 

Soeleman noemt de manier waarop landmacht en marine de klus gezamenlijk klaren een mooi voorbeeld van ‘paarse’ samenwerking. Maar ook van wat DVVO, dé defensievervoerder, in zijn mars heeft. ”Wij kunnen op vervoersgebied veel, misschien wel alles”, grapt Soeleman. Serieus: “Is er ergens in de krijgsmacht een grote of kleine vervoersklus? Moet die door de lucht, over land of over zee worden geregeld? Dan zorgt DVVO daar voor. Dat doen we zo doelmatig mogelijk, waarbij we desnoods een civiele onderneming inschakelen. Wij beheersen alle manieren van vervoer, ofwel ‘modaliteiten’. Een schip lossen, in dit geval de Rotterdam, is er daar één van.” 

Nee verkopen

Soms moet DVVO een klant nee verkopen. Bijvoorbeeld wanneer een aanvraag voor een transport te laat binnenkomt. Die moet 48 uur van tevoren binnen zijn. “Ben je te laat, dan moet je er rekening mee houden dat je niet krijgt wat je wilt”, vertelt Soeleman. “Aan de andere kant beschouwt DVVO nee zeggen als een soort brevet van onvermogen. Dat druist in tegen de CDC-gedachte dat wij de krijgsmachtdelen maximaal willen ondersteunen. Ja, er gaat DVVO geen zee te hoog.” 

Onder het wakend oog van een gids rijdt een viertonner de kade op.

Voorzichtig, anders breekt-ie misschien wel…

Kapitein Arie Soeleman (rechts) en luitenant-ter-zee Rog leiden het lossen van de Rotterdam in goede banen.

Een lift brengt de voertuigen omlaag die op het bovenste dek van de Rotterdam geparkeerd staan.

De Rotterdam vervoert ook containers met materieel uit Cold Response.

Het afrijden van de Rotterdam vraagt veel stuurmanskunst.

De Rotterdam is één van de twee amfibische transportschepen van Defensie. De Johan de Witt is de andere.

Ook een precisieklus: containertje op een vrachtwagen plaatsen.